zaterdag 28 maart 2015

jaar van de bodem

We besteedden hier nog geen aandacht aan het Jaar van de Bodem (in Limburg: het jaar van de mijnen). Een pagina-groot stuk in de International New York Times ("Farmers drop the plow for more productive soil") van 11 maart is een goede aanleiding om dat alsnog te doen.
Het artikel verhaalt hoe steeds meer boeren in de mid-west van de VS overgaan tot no-tillage: geen grondbewerkingen meer zoals ploegen, dus meteen doorzaaien van de oude stoppel en het toepassen van groenbemesters ('green manure').
De heeft milieuvoordelen (minder afspoeling van nitraat) maar daar gaat het de boeren natuurlijk niet meteen om, dat wordt niet beloond. Het gaat om de opbrengsten doordat de bodem beter water vasthoudt, er minder kunstmest nodig is en de organische stof zorgt voor een beter bodemleven waardoor minder kunstmest nodig is.  En het helpt tegen erosie. Grondbewerking gebeurt voor een groot deel om het onkruid de baas te blijven, Dat kan met de groenbemester grotendeels ook.  Het doodspuiten van de groenbemester vraagt dan wel weer om een dosis Round-up, dat dan weer wel.
Omschakelen vraagt overtuiging en is niet altijd eenvoudig, zo meldt de NYT. Het vraagt wat investeringen (andere, steviger zaaimachine, met goede GPS om tussen de rijen van vorig jaar door te zaaien). En zoals een boer het uitdrukt: "We have a saying in our area: you can't no-till because you haven't burried your father yet". Innoveren is een overwinning op jezelf en op de vorige generaties.

donderdag 26 maart 2015

Innovation Platforms

We vergaderen vandaag en morgen in Antwerpen. Over interactieve innovatie en de toekomst van ons Agrarisch Kennis en Innovatie Systeem. Goed moment om even een recent paper ((Decentralised innovation systems and poverty reduction: experimental evidence from Central Africa) uit de ERAE (februari 2015) vast te leggen.
Haki Pamuk, Erwin Bulte, Adewade Adekunle en Aliou Diagne gingen in de Afrikaanse context na welke systeem van voorlichting en innovatie het meest bijdroeg aan armoedebestrijding: bottom-up Innovation Platforms of Centraal geleide voorlichting, beide afgezet tegen helemaal geen interventie. De eerste scoorde duidelijk het best.
Mooi resultaat, dat nog verder werk verdient. O.a. over kosten en baten van de systemen zoals de auteurs schrijven. En nog betere datasets want deze heeft wat probleempjes (waarvoor men tracht te corrigeren), het is geen echte random control trial en er zit veel self-reporting in de meting van het effect.
Ook opvallend is dat de Innovation Platforms zich vooral richten op verbetering van crop management. Lagen hier de grootste kansen voor resultaat? Bijvoorbeeld omdat de heterogeniteit in bodems, waterbeschibkaarheid en lokale cultivars en teeltmethoden zo groot is dat je dit vanuit een centrale aanpak niet rond krigt? Of was het een bias van de boeren die vooral naar technische resultaten kijken en is het instrument minder geschikt voor marketing innovaties, laat staan systeem-innovaties ?
Goed onderzoek roept vraag op. Ook de vraag waarom we in Afrika zo wel de geldsbesteding monitoren en niet in Europa zelf.

dinsdag 24 maart 2015

big mother

En uit dezelfde editie van 14 maart van The Economist nog een mooi verhaal. Over Big Data en de verzekeringsindustrie. Daarin de tem Big Mother die ik nog niet kende. De verzekeringsbranch kan door ict (IoT) steeds beter monitoren hoe de klant zich gedraagt. En dus de premie differentieren. Waardoor sommige zaken verzekerbaar worden en andere juist niet meer (roekeloos gedrag, risk pools die te klein worden). In ieder geval gedifferentieerde tarieven, zodanig dat je de monitordevices wel zult nemen en je gedrag gaat aanpassen. Daarmee wordt schade meer voorkomen in plaats van vergoed.

maandag 23 maart 2015

lever je data in bij de huisarts

Onderzoeksdata komen voortaan deels vanuit de telefoon. Dat hadden we ook al bedacht in ons project EuroDISH, maar intussen blijkt dat Apple er al een open source kit voor programmeurs voor heeft. Zie hier het artikel.

zondag 22 maart 2015

een kleine Japanse sociologie

De snelle overgang van de agrarische naar de metropolitane samenleving en de nadelen van het agglomeratie-effect (zie de blog van gisteren) hebben behoorlijke onvoorziene effecten of het Japanse gezinsleven en de bevolkingsontwikkeling.
De overgang van ruraal naar stedelijk is sneller gegaan dan de emancipatie van de vrouw. De traditionele rol van de echtgenote in het boerenhuishouden en aan de aanrecht heeft zich in de jaren 50, 60 en 70 maar matig ontwikkeld: het was vooral de Japanse man die in de industrie of op kantoor ging werken, de vrouw bleef voor het huishouden zorgen. Dat gevoegd bij een behoorlijk werkethos in de opbouw met lange werkdagen en de nadelen van de metropolitane agglomeratie, nl. lange reistijden tussen wonen en werken, betekende dat het sociale leven van de werknemer verschoof van thuis naar collega's: samen eten en borrelen bij het overwerken.
Dat heeft ook geleid tot de categorie van office-ladies die wel op kantoor werken (veelal in ondersteunende functies, maar het is aan het veranderen). Een grote groep daarvan vindt het huwelijksleven nu zo onaantrekkelijk (opgesloten met kids in de suburbs) dat ze er van afzien zich in die huwelijksmarkt te begeven. Als ze dan ook nog thuis blijven wonen, dan zijn ze zeer kapitaalkrachtig, leven in een zekere subcultuur en zijn een interessante doelgroep. Winkelwijken in Tokyo als Ginza, met zijn dure winkels die je in de PC Hooftstraat niet tegenkomt, varen er wel bij.
Met als gevolg dus een sterk vergrijzende en krimpende bevolking. Waar immigratie zo ongeveer een taboe is (zelfs als het om vluchtelingen gaat), dus hier zal nog heel wat robottechnologie ontwikkeld worden. En het nationaal inkomen krimpt, maar de Japanner lijkt er niet onder gebukt te gaan: de werkeloosheid is laag, per persoon blijven de inkomens op peil, en de grootste persoonlijke financiële lasten als eigen huis of studerende kinderen zijn achter de rug. En men erft wat staatsschuld van de vorige generatie.

zaterdag 21 maart 2015

agglomeratie-effecten

Japan, waarover ik afgelopen week hier al wat agrarische reisindrukken blogde, is ook op het vlak van sociologische instituties boeiend. De snelle ontwikkeling van een agrarische samenleving naar een metropolitane, heeft gezorgd voor grote steden met veel agglomeratie-effecten waar de ontwikkelingen in het gezinsleven bij achter zijn gebleven.
Agglomeratie-effecten ontstaan daar waar je concentraties van mensen of bedrijven hebt: er ontstaan dan dikke arbeidsmarkten met veel specialisatie. Je ziet dat in Tokyo waar er niet alleen grote wijken met hoogbouw zijn met de kantoren van de (grote) Japanse ondernemingen (en waarbij de Amsterdamse Zuidas een calimero-gevoel krijgt) maar ook een wijk die zich specialiseert in uitgaan en vooral winkelen voor tieners en twintigers en iedereen die zich zo voelt (21 forever). En dat terwijl Japan een vergrijzende samenleving is met weinig kinderen, de bevolking krimpt en kinderwagens heb ik er niet veel gezien.
Bij economen zijn die agglomeratie-effecten in de mode, en voor Nederland wordt nog wel eens geconstateerd dat we daarin met onze Randstad-structuur en Brabantse stedenrij achterblijven. Maar, zoals we o.a. recent in de Zuidhollandse PAL vaststelden, je kunt de zaak moeilijk afbreken en rond Alphen aan de Rijn opnieuw beginnen. Je kunt op zijn best zorgen dat de verbindingen tussen onze steden en stadjes zo goed mogelijk zijn. En dat we de positieve kanten van ons model uitbuiten.
Daarbij horen in onze situatie lagere woonlasten, lagere reiskosten en meer groen en leefbaarheid. De Japanse collega's die ik sprak klagen zeer over de hoge woonlasten in Tokyo en het feit dat velen dan daarbij ook nog een uur moeten reizen naar hun werk. Ik vrees dat die private lasten helemaal niet meegenomen worden in de berekening van de agglomeratie-effecten, dat zich op nationaal inkomen baseert, niet op een MKBA-achtig kengetal of vrij-besteedbare huishoudinkomens..

dinsdag 17 maart 2015

Zen and the art of escalator maintenance

Japan is een goed georganiseerd land met vriendelijke en zeer beleefde omgangsvormen. Maar niet uniform, het leent zich zelfs voor onderzoek met natuurlijke experimenten. Zo moet je bij sommige bussen voorin instappen en betalen (ongeacht hoe ver je mee gaat) en achterin uitstappen. Bij andere moet je achterin instappen en vooraan betalen en uitstappen. Soms een uniforme prijs, soms moet je bij het instappen een kaartje met een nummertje trekken en speelt de afstand een rol in de af te rekenen prijs. Ik heb niet kunnen ontdekken wat de logica achter de systemen is en welke het beste werkt. Mogelijk speelt een rol dat Japan zijn openbaar vervoer aardig geprivatiseerd heeft. Zo zijn er verschillende spoorwegmaatschappijen en in Tokyo zelfs 2 metro-exploitanten. Het lijkt dus wel te kunnen, dat splitsen van infrastructuur (Pro-Rail) en de exploitatie (NS).
Enfin ik wou het hebben over roltrappen. Daarvan kent ook Japan twee typen gebruikers. Je hebt mensen die een roltrap of lopende band zien als een hulpmiddel om zonder de inspanning van (trap)lopen ergens te komen. En je hebt mensen die het een hulpmiddel zien om meer vaart te maken. De eerste groep blijft staan op de roltrap, de tweede loopt door over de bewegende trap. Om dit mogelijk te maken houdt de stilstaande groep goed links, of rechts.

Dat laatste verschilt. In linksrijdend Japan houden de stilstaanders meestal links, maar rond Osaka houdt men rechts. En dus is er een overgangsgebied waar de situatie onduidelijk is (zoals rond Nara, ook met veel toeristen – mooie oude tempel met grote Buddha trouwens, ondanks de hertjes).
Dat heeft gevolgen voor het onderhoud van de roltrappen. In linkshoudend Tokyo zijn de linker mechanismes van de trappen eerder versleten, in Osaka de rechter. Dat weten de onderhoudsmonteurs nog wel, of kun je ze meegeven, maar in het schemergebied is het niet helder. En is dus de planning van onderhoud lastig. Men doet het te vroeg (of te laat, met stilstaande trappen als gevolg) of houdt dezelfde tijd aan maar schroeft eerst de verkeerde kant open.

Maar nu is er Big Data, zo legde een meneer van IBM Japan uit op een seminar aan de Universiteit van Tokyo waar ik een key note presentatie gaf over ons EU Future Internet werk. De video control beelden helpen al, want daarmee kun je monteurs meegeven of mensen op de roltrap vooral links of rechts hebben gestaan.
Maar dan nog doe je het onderhoud op regelmatige tijden, na X draaiuren. Die X is een inschatting van de kans op storing en de kosten ervan versus de kosten van tijdig(er) onderhoud plegen. Dat is dus meestal als het nog niet nodig is, omdat stilstand grote schade heeft.
En daarom gaat Internet of Things helpen want dat leidt tot wat in het vakjargon inmiddels “predictive maintenance / voorspellend onderhoud” heet: de storingsgevoelige onderdelen worden uitgerust met een goedkope sensor die of continu is uit te lezen of die bij een bepaald slijtage- of belastingsniveau gaat piepen. En dan vindt onderhoud plaats. Ook dat niveau kan worden bepaald op basis van schade bij stilstand en kosten van onderhoud. Maar nu wordt dat niet meer bepaald op gemiddelde ervaringscijfers van alle roltrappen (in een regio) maar op basis van de werkelijkheid die een forse spreiding kent. En dat is stukken goedkoper. Leve big data.

En sinds lange tijd weer eens een luistertip: de enige Japanse internationale pop-hit, het 1963 nummer Sukiyaki van Kyo Sakamoto  (althans in het Japans, Yoko Ono is een ander verhaal). Ik leer van Youtube dat de Japanse tekst en aanleiding niet helemaal gedekt wordt door de food-titel van het nummer. 

maandag 16 maart 2015

waterschappen

Voor Boerenbusiness schreef ik een column over de waterschapsverkiezingen van woensdag. Lees alhier.

zondag 15 maart 2015

Cooperatief Japan

De kleinschalige Japanse structuur (zie de blog van eergisteren) leent zich voor een sterke coöperatie-beweging. In Japan is die wel heel sterk. Ik verdiepte me er een dag in omdat ik te gast was bij JA, Japan Agriculture, de coöperatieve beweging waarvan bijna alle ruim 4,5 miljoen boeren en boertjes lid zijn (en vele anderen ook). JA heeft ons Europese coöperatie-rapport vertaald (de publicatie komt eind maart), vandaar. Wat wijst op een discussie hoe het verder moet met JA.
Het coöperatiewezen is op Duitse Raifeissen leest geschoold. Japan ging eind 19e eeuw open en kopieerde uit het Westen wat nuttig leek te zijn. Waaronder de in Europa net opkomende coöperaties. In WO-II kwamen de coöperaties, die in principe gedreven werden door de leden, in sterke overheidscontrole. En dus begon men na de oorlog min of meer opnieuw.

Dat gebeurde in de vorm van plaatselijke multi-purpose coöperaties, die zich bezig houden met van alles en nog wat: de afzet van tal van verschillende producten van leden en de aankopen van bedrijfsbenodigheden (en nog veel meer, daarover straks). Er zijn wel single-purpose coöperaties, maar die zijn veruit in de minderheid en mijn gesprekspartners zien niet meteen een ontwikkeling in die richting, die we in Europa wel hebben gezien, c.q. hier en daar nog zien.
We kwamen er in de discussie niet uit waarom Japan in dat opzicht bijzonder zou moeten zijn. JA noemt in zijn (in 2011 in het Engels uitgegeven) basic textbook dat dit komt door de kleinschalige structuur als door het feit dat Japanse boeren vaak ook buiten de landbouw actief zijn en het inkomen van hun bedrijfje managen samen met hun inkomen uit andere bronnen. Een derde argument is dat veel boeren meerdere producten telen, zowel groenten als rijst.

Van die argumenten is de laatste nog het meest overtuigend: bij groenten zien je ook in Europa synergie in de teelt en de afzet en is specialisatie in een tomaten- en een broccoli-coöperatie nog nauwelijks aan de orde (hoewel daar nu de producentenorganisaties opkomen). En dat die coops dan ook de zaden en kunstmest of specifieke pootmachines inkopen is ook niet helemaal ongewoon.
Bij rijst zou je uit de aard van het product nog een vergelijking kunnen maken met de granen coöperaties in Europa, waar de Lantmannen, Baywa en Agrifirm-achtigen ook meerdere producten doen. Maar dat is ook wel ingegeven door de inkoop van granen als grondstof voor veevoer. En ook die zitten nog wel eens net als de multipurpose JA coops in Boerenbond-achtige winkels. Maar rijst gaat helemaal de veevoer niet in, dus ik denk dat die vergelijking mank gaat.

Dat kleine boeren of parttime boeren een schaalnadeel hebben om lid te zijn van meerdere coöperaties lijkt me vreemd. Met name zowel lid zijn van een rijstafzet-coöperatie als een coöperatieve bank lijkt me niet onmogelijk, dat kost maar een paar avondjes vergaderen in de winter. Mits er genoeg bestuursleden te vinden zijn, maar zo klein zijn de JA’s ook weer niet, er heeft een behoorlijke schaalvergroting plaats gevonden en de plaatselijke coops zijn nu vaak regionale coops.
JA is ook de Japanse Rabo. Ofwel de primaire JA’s verlenen ook bank- en verenigingsdiensten aan hun leden en hebben centrale bank- en verzekeringsactiviteiten. Dat verklaart bovengenoemd argument dat men zijn geld en verzekeringen van alle activiteiten integraal wil managen. Logisch, en net als de Rabo heeft JA inmiddels een grote hoeveelheid niet-boeren als klant. Maar die kunnen geen volwaardig lid worden van de lokale multi-purpose coöperatie, maar zijn geassocieerd lid. En hier lijkt een probleem te gaan ontstaan want het aantal geassocieerde leden is inmiddels groter dan het aantal echte (boeren) leden. Het is ook een mogelijk argument (naast de belangenbehartiging, zie hierna) waarom ook de coöperaties zo hechten aan het aantal boeren en niet zozeer alleen aan de omzet.
Een single-purpose coöperatie a la de Rabo zou hier geen problemen mee hebben: daar kan iedereen lid van worden. En dus ligt hier een tweede interessant vraagstuk: zou een single-purpose niet beter werken?

Overigens: ook in Europa hebben we lang mengvormen van bankieren en handelen gekend. Nog niet zo lang geleden heette de belangrijkste voorganger van Agrifirm gewoon Landbouwbank Meppel. En de beroemde coöperatie Lonneker (bij Enschede, een voorloper van From/ForFarmers) was ook een bank. Want wie veevoer of kunstmest bestelde moest vaak ook oogstkrediet.
Issue nummer drie is dat JA zich heeft ontwikkeld in de richting van tal van activiteiten. Sommige daarvan liggen in het verlengde van de doelstellingen (zoals promotie voor het Japanse product) of zijn (potentieel) nog wel een business, zoals de Boerenbond-achtige landwinkels en toeristische activiteiten. Dat zou je wellicht ook nog van bepaalde voorlichtingsactiviteiten kunnen veronderstellen, zoals bedrijfsvoorlichting en ondersteuning bij projectontwikkeling (huizenbouw) of verkoop voor niet-agrarische bestemming. Hoewel je die eerder verwacht bij een standsorganisatie. En dat geldt al helemaal voor voorlichtingsactiviteiten die in Nederland vroeger door de SEV of de Plattelandsvrouwen werden uitgevoerd, zoals kookworkshops voor boerinnen, NAJK-achtige jonge boeren activiteiten en ander community werk. Zo is JA actief in het beheren van begrafeniszalen (funeral halls) en “welzijns-activiteiten” als gezondheidszorg en dagopvang voor hulpbehoevende bejaarden. In het vergrijsde Japan mogelijk een winstgevende groeimarkt, maar ik begreep dat al deze activiteiten vooral gefinancierd worden met winsten uit de bank- en verzekeringsactiviteiten.

Dat verklaart de conclusie van mijn gastvrouw dat de Japanse coöperaties wel wat op de Oost-Europese lijken. Via de mail had ik daar niets van begrepen, maar na de promotievideo van JA en haar uitleg wel: ook daar vind je (o.a. in Bulgarije) coöperaties die tal van publieke / sociale activiteiten ondernemen (van de peuterpeelzaal en de ouderenopvang tot de straatverlichting en het sneeuwruimen) en de overheid dus is ingebed in de coöperatie in plaats van andersom.
En daarmee begrijp ik ook wel dat JA zich helemaal niet kan voorstellen hoe het verder zou moeten met bv. een single purpose financiele coöperatie. Dan vervalt de kruissubsidie en is onduidelijk hoe het verder moet met de sociale activiteiten. Anderzijds kan ik me niet helemaal voorstellen dat dit ook niet anders kan. De landbouw is 1% van de Japanse economie, en zelfs als je de geassocieerde leden meetelt moeten er in de dorpen en streken toch ook veel mensen wonen die geen lid zijn van een JA en toch ook hulpbehoevend worden of een kookcursus willen van de vereniging Dorpsbelangen.

Overigens is het dan ook de vraag, als vierde issue, wat een eventuele andere organisatie nu oplevert aan dynamiek voor de Japanse economie. Niet alleen omdat de sector klein is maar ook omdat de dynamiek misschien wel eerder uit andere hoek komt. Zoals van Toshiba dat fors inzet op plantenfabrieken (plant-labs) om groente geheel geconditioneerd onder LED-verlichting in gesloten ruimtes te telen. Much ado about nothing?
Een vijfde issue daarbij is dat Japan geen standsorganisaties kent voor bv. het lobbywerk naar de overheid. Ook dat doet JA, hoewel ze daar in hun basic-text boek en video niet over reppen. Maar navraag leert dat een standsorganisatie inderdaad ontbreekt of niet dominant aanwezig is. Nu zit bij ons Copa-Cogeca ook in 1 organisatie en de oude NCB (die opging in de ZLTO) heeft ook een periode gekend waarin de banden tussen coöperaties en standsorganisatie zeer nauw waren. Sommige coöperaties waren heel lang een afdeling van de standsorganisatie. Maar over het algemeen zien wij de coöperaties toch als een venster van collectieve actie naar de markt en de standsorganisatie naar de overheid en samenleving. Waarbij er wel banden zijn, overleg is, sommige bestuurders in beide kanalen actief zijn, en ook een suiker coöperatie wel lobbyt voor suikerbeleid (maar dan toch ook vaak de boeren inzet en niet het miljoenen-concern profileert). Maar overall denken wij dat specialisatie in deze nuttig is. In Japan is het zover nooit gekomen en dat verklaart mede waarom JA ook standsorganisatie-achtige activiteiten uitvoert.
Ik ben mijn lezing in Japan maar eens met een plaatje begonnen waarin dit is uitgelegd en ik begreep dat dit als zeer verhelderend werd ervaren. Want hier zit momenteel een groot probleem in Japan. JA staat onder zware politieke druk. Niet in het kader van zijn commerciële activiteiten maar vanwege het verzet tegen de hervormingen die premier Abe nodig vindt, mede met het oog op het afsluiten van een vrijhandelsakkoord rond de Pacific.

In dat kader heeft de premier en het parlement nu ingegrepen in JA-Zenchu. Dat is de top-organisatie die in 1954 in de Japanse wet is ingevoerd (wat niet echt als bottom-up klinkt) met als doel “to guide and coordinate Japan’s agricultural movement”. Een van de activiteiten die het, naar het Duitse Raifeissen-model, uitvoert is de auditing en management consultancy van alle coöperaties. In dit controlecentrum weet men dus waar de winsten worden gemaakt, hoe de strategieën zich ontwikkelen, hoe gevoelig ze zijn voor beleid e.d.
Dit lijkt dus het machtscentrum van JA en dat geeft het geheel onherroepelijk ook een zeker top-down karakter, dat we van grote Europese top-coöperaties wel kennen. Ook dat maakt begrijpelijk dat het centrale JA zich niet voor kan stellen hoe de dorpen / streken zich moeten redden zonder de bestaande multi-purpose coöperaties en hun guidance.

Maar Premier Abe heeft JA-Zenchu nu het monopolie ontnomen op de auditing. Verschillende mensen die ik sprak ervaren dat als straf voor het verzet tegen de TPP hervormingen. En vrezen dat de dominostenen verder omvallen. Wat in ieder geval veel belangstelling voor mijn lezing opleverde, met geanimeerde discussie. Men is zoekende.
Bloomberg rapporteerde n.a.v. het besluit van Abe: “Zenchu finally gave in,” Masaaki Kanno, an economist at JPMorgan Chase & Co., said in a research note Tuesday. “This is clearly a victory of the Abe administration over Zenchu, which played an important political role against agriculture reform. The reform of JA system is expected to pave the way for facilitating TPP negotiations.”

Als ook: Abe is aiming to diminish the role of the group, which has dominated the sector for about 60 years, to bolster the independence of local cooperatives and promote their alliances with corporations while seeking lower tariffs that would boost competition from imports.

En: The reform plan means Zenchu shifts away from a special private corporation with “extraordinary, semi-public powers” into a general incorporated association without regulatory functions and subject to ordinary taxation, Tobias Harris, an analyst at Teneo Intelligence, wrote in a report on Monday. The legal change could limit the group’s ability to participate directly in political activities, he said.

Al met al lijkt het in het kader van de TPP veranderingen in Japan interessant verder te studeren op de rol van coöperaties: hoe moet het verder met JA en de multi-purpose coöperaties en vooral: hoe kunnen single-purpose coöperaties van jonge innovatieve boeren de sector competitiever maken. Want niet onterecht maakt Japan zich zorgen om een food security situatie waarin de import van voedsel 10 keer zo groot is dan de export. Om over energie en andere grondstoffen nog maar niet te spreken.

vrijdag 13 maart 2015

Landbouw in Japan



Komende weken krijg je hier fotootjes uit Japan voorgeschoteld – afgelopen weken bracht ik daar door. Voor een paar dagen werk en vakantie. Komende dagen dus wat aantekeningen.

Eerst maar even over de Japanse landbouw, voor zover je daar in een dag vergaderen met Japan Agriculture (JA) en wat rondreizen een indruk van krijgt. Landbouw in Japan is kleinschalig en zwaar beschermd, dat wil zeggen afgeschermd van de wereldmarkt. Rijst en groenten domineren de productie. Er is wel wat melkproductie (ik kwam langs een vrij groot bedrijf tussen Tokyo en Nikko, overigens een omweg waard) en wat specifiek rundvlees (Kobe vlees is een geweldige specialiteit met mooi met dun vet dooraderd vlees), maar de Japanners zijn vooral van de vegetarische en de groene thee. En van heel vis, de zee is nergens heel ver weg in dit eilandenrijk. Als je ooit in Tokyo komt, bezoek de vismarkt, een beleving op zich met tal van vissoorten die wij niet kennen, laat staan eten.
Japan is bergachtig en aardbevingsgevoelig. Dat bergachtige wordt nog wel eens in verband gebracht met de kleinschaligheid en de noodzaak voor bescherming. Dat is een Zwitserse kijk op de zaak waarvan ik me al rondreizend ben gaan afvragen of hij wel klopt. Elk perceel dat ik gezien heb, ook in de bergen, was vlak (gemaakt).  Dat zal ook wel nodig zijn bij natte rijstbouw, anders loopt het water wel erg snel en met de nodige erosie weg, zo vermoed ik. En heel vaak zijn die percelen perfect vierkant of in ieder geval rechthoekig, en liggen er meerdere naast elkaar. Ook in een promotiefilmpje dat JA me toonde kwamen bergen alleen voor als achtergronddecor, niet als argument of probleem.
Het bijzondere van de structuur moet eerder worden gezocht in de historie. In de 300 jaar dat er in Europa veel gebeurde, was Japan zo ongeveer afgesloten van de buitenwereld, de shoguns, samourai en andere machthebbers hadden geen behoefte aan pottenkijkers, laat staan handel of invoeren van nieuwigheden. Afgezien dan van een paar Nederlanders op het eilandje Decima (tip: bezoek in Leiden het Siebold-huis).
Dat veranderde volledig in de tweede helft van de 19e eeuw. Aldus bekeerd werd veel van wat oud was gesloopt (overigens is er ook nog heel, heel veel te zien, met grote bouwwerken uit pakweg het jaar 700 toen Europa in de donkere middeleeuwen zat en nog aan zijn kathedralen moest beginnen). Maar de grondbezittende klasse bleef machtig. Die macht moest gebroken worden na WO II vonden de Amerikanen (in dit verband door de Japanners consequentie beleefd aangeduid als de geallieerde machten). En dus gingen ze over tot een landhervorming. Op het nog (over)volle platteland kregen boeren percelen van pakweg een ha en het pachtsysteem werd afgeschaft.

Sake gaat in grote flessen
Terzijde: vele jaren later zou ook bij de val van het communisme het eigen grondbezit via privatisering een dominante strategie in Rusland en Oost-Europa worden. Soms leidend tot nieuw grootgrondbezit. Het heeft me altijd slimmer geleken net als in de IJsselmeerpolders met pacht en pachtbescherming te werken, meer is niet nodig voor een bloeiende sector. Maar wie de overheid of de klasse van grondbezitters niet vertrouwd door een democratisch deficiet vindt dat natuurlijk geen oplossing.
Terug naar Japan. Dat beleefde in de jaren 50 – 70 zijn eigen Wirtschaftswunder met de opkomst van de zware chemische industrie, de auto-industrie en de consumenten-electronika als bekende speerpunten. Met als gevolg een enorme trek van het platteland naar de stad, met mega-steden als Tokyo, Kyoto, Osaka, Yokohama, Nagasaki etc.  Moderne steden, vaak in de oorlog al platgebombardeerd (de Amerikanen spaarden de culturele schatten van de oude keizerlijke hoofdstad Kyoto) die uitgroeiden tot megapolissen die we in Europa niet of nauwelijks kennen (Londen komt misschien een beetje in de buurt).

Deze ontwikkeling betekende dus dat de jeugd zijn toekomst zag in de stad, niet op het platteland. Japan is so wie so een vergrijst land van 128 miljoen mensen (daarover later meer), de Japanse boer is daarop zeker geen uitzondering, eerder nog sterker vergrijst dan de rest van de samenleving.
Al met al ging het dus te snel. Ongetwijfeld is er intussen een proces van bedrijfsvergroting, maar in het landschap is daar niet veel van te zien, op het centrale eiland Honsu waar wij rondreisden zie je geen samengevoegde grote percelen. Ik begreep dat het voor boeren ook fiscaal niet aantrekkelijk is er mee op te houden en dat het aanhouden van de grond als belegging in de buurt van grote steden natuurlijk ook een aantrekkelijke strategie is. Het zou overigens interessant zijn meer te weten van de werking van de Japanse grondmarkt, zoals elders zal dat ook hier wel een belangrijke sleutel zijn in het begrijpen van de structurele ontwikkeling.

In de achtergrond speelt mogelijk ook nog dat de Japanners zich toeleggen op teelten als rijst en groenten die moeilijk te mechaniseren zijn. En dus schaalgrootte niet zo zwaar telt. Daar komt nog bij dat Japan op dat vlak geen traditie heeft. Daar is door Hayami en Ruttan ooit nog een landbouw-economische klassieker over geschreven – in de jaren 80 bracht ik een aantal weken door aan de Universiteit van Minneapolis (VS) en had het genoegen de verhalen uit de eerste hand van Vernon Ruttan te vernemen. Kortweg komt hun vergelijking tussen Japan en de VS er op neer dat in de VS grond ruim beschikbaar was en arbeid schaars (dat moest via immigratie uit Europa komen). In Japan gold het omgekeerde. Dat leidde er toe dat de Amerikanen (McCormick voorop) inzetten op mechanisatie. In Japan werden sommigen technieken afgeschaft omdat het goedkoper was om het met de ruim voorhanden zijnde arbeid te doen. Uitvindingen komen misschien uit de lucht vallen, maar de innovaties die bedrijven doorvoeren worden door de relatieve schaarste bepaald zo leert hun theorie van de opgewekte innovatie (induced innovation).
Vooral in de buitenwijken van dorpen en steden leidt de bedrijfsstructuur tot een voor ons vreemd beeld. Japan kent vermoedelijk ook geen projectontwikkelaars die op grote schaal woonwijken ontwikkelen, en zo zie je dus hele gebieden waar een paar ha woonhuizen zich afwisselt met een aantal ha landbouw. Soms ook met plastic kassen. Alsof de stadslandbouw hier volledig voet aan de grond heeft gekregen. Temeer omdat in dit volle land elke vierkante meter wordt benut en wegbermen en slootkanten een minimale breedte hebben.

Al met al moet de bescherming van de landbouw in Japan dus vermoedelijk vooral begrepen worden als een sociaal mechanisme om het platteland met een zeer ongunstige bedrijfsstructuur mee te laten delen in de welvaartsontwikkeling van de jaren 50-70  
En nu staan de Amerikanen (met hun oude bondgenoten Nieuw-Zeeland en Australië) opnieuw voor de deur, namelijk aan de onderhandelingstafel rond een vrijhandelsakkoord. Dit TPP-akkoord rond de Pacific (dat in TTIP rond de Atlantische oceaan een pendant heeft) moet hun toegang verlenen tot de afzet van o.a. agrarische producten uit regio’s met een veel betere landbouwstructuur. De Japanse premier Abe wil de al decennia lang stagnerende economie wel wat opschudden en onderhandelt enthousiast mee. Dat betekent heibel tussen de landbouw en de overheid, en de vraag is welke kant de stadsbevolking gaat kiezen.

maandag 9 maart 2015

arcimbaldo

Image result for arcimboldo four seasonsEn dat brengt ons in deze serie Kunst en eten bij de volstrekt uniek Habsburgse kunstenaar Arcimbaldo. Die in een eeuw (de 16e) waarin het stilleven weer opnieuw in opkomst moest komen, de belangstelling voor natuurlijke zaken botvierde door er portretten mee te schilderen.

zaterdag 7 maart 2015

Xenia



Image result for roman xeniaXenia is Grieks voor gastvrijheid, maar de term wordt ook gebruikt voor de stillevens in de ontvangstruimen van de oude Romeinse huizen. Waarop dus eetbare zaken werden afgebeeld.




donderdag 5 maart 2015

Kokanje

 Honderd jaar later (zie blog van gisteren) schilderde Pieter Breugel sr. het land van Kokanje, het utopische land van overvloed. Voedsel dat schaars was nam je voor zover het nodig was. Gulzigheid was een doodzonde want dat moest wel leiden tot moreel verval.
Image result for brueghel de oude cocagne
Kokanje (Cocogne) was Luilekkerland met de rijsteberg. Er zijn minstens twee Nederlandse plaatsen genoemd naar Kokanje, blijkbaar ging het ze daar goed af. Zie de wiki. Het schilderij hangt in Munchen, in de fraaie Alte Pinakothek.