woensdag 28 januari 2015

polderen leidt niet tot innovatie


Uit de literatuur was volgens mij al wel bekend dat de echte innovaties niet door de gevestigde orde gebeuren, die hebben belang bij het huidige verdienmodel. En dat koepelorganisaties ook niet erg helpen omdat ze rekeningen moeten houden met hun achterban, met name de 51% die geen belang heeft bij de innovatie.
Het wordt in ieder geval weer eens onderstreept door een nieuw proefschrift over een nieuw onderwerp: de verduurzaming van de auto. Maandag schreef de NRC erover: in Utrecht promoveert Joeri Wesseling die de introductie van de elektrische auto in Californie onderzocht. Omdat daar strenge wetgeving was ingevoerd en de verslagen van gesprekken van lobbyisten met de overhid openbaar zijn. Er is dus onderzoeksmateriaal.
Blijkbaar is eer veel gekonkel en gelobby tegen zo'n wetgeving, ook nadat die er is. En er wordt veel energie besteed hem af te zwakken. Maar uiteindelijk zijn er partijen die omgaan, in dit geval o.a. Nissan dat weinig marktaandeel had in het oude systeem en kansen zag in elektriek. En nu zie je na afzwakkingen de regelgeving weer strenge worden.
Ideejte dus voor de Kip-van-Morgen fans: zoek een retailer en een slachterij die zich wil profileren en niet zoveel verdient aan de plofkip, maar markt denkt te kunnen winnen met de omfietskip van morgen. Zo werkt het blijkbaar.
 

dinsdag 27 januari 2015

Slaapziekte

Waarom was het pre-koloniale Afrika zo dun bevolkt, waarom waren mensen er zo schaars? Dat zou je niet verwachten als je de kwaliteit van de grond ziet en in aanmerking neemt dat de mens zich er aan de aap heeft ontworsteld.
Het probleem is volgens een paper van Marcella Ansan in the American Economic Review van januari ontrafelt, zo meldt The Economist. Het antwoord:  de Tsetse-vlieg die de slaapziekte veroorzaakt.
Die maakte het lastiger om dieren te houden, en daarmee werd landbouw een stuk moeilijker want dieren moeten de mest leveren. En de verzamelaar / jagers hadden een groter gebied nodig, waarmee ook de kans op infectie werd verminderd (ook de mens is vatbaar en net als met de muskiet leeft het beestje op bloed).
De auteur kwam tot haar bewijs door een model te schatten over de samenhang tussen de Tsetsevlieg-druk en de bevolkingsomvang, Dat model levert een aardige verklaring en levert die niet in andere gebieden van de wereld met hetzelfde klimaat maar zonder de vlieg.

The Economist 15.1.2015

maandag 26 januari 2015

Experimenteren met samenwerking

Institutes veranderen traag en het opzetten van nieuwe kost tijd. Een mooie illustratie is de opkomst van de Nederlandse zuivelcooperaties. Tussen pakweg 1870 en 1920 was dat 50 jaar lang een periode van experimenteren en daarna zou het nog tot ver na WO II duren voordat de huidige situatie (op een fusie meer of minder na) was uitgekristalliseerd.
Geheel in lijn met de moderne opvattingen dat innovatie in strategische niches aan de rand gebeurt, komen de eerste zuivelcooeperaties op in de kop van Noord-Holland, na 1870. Waarbij vaak akkerbouwers en mestveehouders betrokken waren die door de landbouwcrisis moesten omschakelen naar melkvee en de zuivelbereiding met plezier aan deskundigen overlieten. Het is een van de weinige voorbeelden die ik in het boek van Rommes: Voor en Door Boeren (zie de posts van voorgaande dagen) las waarin je direct de veel verkondigde stelling geillustreerd vind dat de landbouwcrisis leidde tot de cooperaties.
In de rest van Holland was er nauwelijks belangstelling. Consumptiemelkers voor de steden hadden er weinig voordeel bij en die kring rond de steden werd na WO I nog groter door de groei van de steden en de komst van de vrachtauto (ook een interessante samenhang, zie Caoroline Steel).
Boeren die goede kwaliteit kaas (of boter) maakten hadden ook al weinig te verwachten van de fabrieksaanpak van de cooeperaties die werd geassocieerd met een gemiddelde tot matige kwaliteit. Alleen daar waar de boterkwaliteit matig was en er door handelaren veel met boter werd gerommeld en gemengd, soms ook nodig vanwege de kleine partijtjes van individuele boeren, was de cooperatie een welkom instrument. De boterwet was pas van 1904 en het lijkt er dus op dat de kwaliteitsproblemen in de Engelse markt met boterkwaliteit (en menging met margarine) vooral door de cooperaties is gepareerd.
Dat gebeurde dus vooral op de zandgronden en in de Veenkolonien. Maar ook in die gevallen ging het niet van een leien dakje. Boerderijtjes moesten niet te ver van elkaar staan vanwege het transport met (honden)kar of paard en wagen. Dat lukt beter met kleine bedrijfjes. Maar dat levert weer geen grote hoeveelheden melk die bv. voor stoomfabrieken nodig warren. En in Friesland speelde bijvoorbeeld dat kleine boertjes als pachter te weinig zekerheid hadden om zich lang te commiteren. Daartoe werd een constructie bedacht dat verpachters ook lid konden worden en dan hun recht op melkleverantie konden overdragen aan bv. hun pachters en een wat hogere pacht konden vragen.

Verder hadden cooperaties ook nadelen voor sommigen of brachten veranderingen mee: de boerin verloor haar werk maar daarmee ook haar status en soms eigen inkomsten uit de zuivelbereiding. En er waren boeren die mestkalveren of varkens hielden op basis van de ondermelk. En de centrifuges in de fabrieken roomden beter af met als gevolg dat de opbrengsten uit de neventak terugliepen. Er waren cooperaties die deze discussies voorkwamen door leden te verbieden om mestvee te houden  (waartoe ook melk werd achtergehouden). Zolang melk niet gepasteuriseerd werd droeg het terugleveren van ondermelk (dat verdween met de komst van melkpoeder) ook bij aan verspreiding van ziekte zoals runder-tbc.
De fabriekjes hadden vaak heel wat melk nodig. Daarbij hielpen dus afstanden tussen verspreide boerederijen niet. En ook vetes tussen dorpen en buurtschappen hielpen niet in de samwnerking. Hier en daar had men zelfs nog last van de tol-posten die nog niet overal verdwenen waren. Veel cooperaties waren dan ook gedwongen om ook melk van niet-leden te verwerken.

Het lijkt vooral de technologie die de cooperaties hebben veroorzaakt. In het zuiiden waren het de handcentrifuges die kleine dorpscooperaties aantrekkelijk maakten. Pater Van den Elzen was voorstander van die kleinschaligheid waarin concurrerende dorpen elkaar niet de tent uitvochten.
Elders en uiteindelijk overal won de stoomfabriek. Daar was dan weer veel geld voor nodig. En het management moest geprofessionaliseerd in een directeur, veelal een een Friese boerenzoon die Bolsward had gedaan.
Die financieringsproblemen maakte dat de notabelen (vaak toch al betrokken bij het lot van de boeren) er financieel instapten. Zoals in het beroemde Lonneker de Enschedese textielbaronnen als Ter Kuile en Van Heek. De niet-leverranciers vertrokken daar pas in 1920.
Ook in Frielsand met zijn grotere boeren was het, overigens volstrekt onverwachts, de stoomfabriek die de cooperatiegeesten deed opbloeien. Dat begon in Warga en daarna ging het snel. En het gedrag van particuliere handelaren en fabrieken hielp.
De zwakke positie van cooperaties in die begintijd blijkt ook uit het feit dat particuliere investeerders en cooperatoren beiden actief waren. En een cooperatie die failliet ging nog wel eens doorging als NV (ook voor rekening van een of een paar boeren) en verschillende cooperaties een particuliere fabriek overnamen. De optimale organisatievorm was verre van duidelijk.
Overigens was voor de zuivelbereiding in de fabriek vanaf dag 1 ook grote hygiene op de boerderij nodig, en die zou wel eens terugkunnen lopen als je het effect ervan op de zuivelproductie niet meer merkte. Cooperaties kregen dan ook meteen het recht tot inspectie van veestapel, melkemmers etc.

Kortom, een leerzame episode. Niet alleen voor wie nu in ontwikkelingslanden probeert dit kunstje te herhalen. Maar ook over hoe we over een eeuw mogelijk terugkijken op onze tijd waarin we 50 jaar experimenteren met duurzaamheidslogo's en kwaliteitssystemen.

zaterdag 24 januari 2015

coops en kwaliteit

Nog een interessant inzicht uit het boeiende boek van Ronald Rommes: Voor en door boeren? In dit geval over cooperaties en product-kwaliteit. Er zijn afgelopen jaren veel artikelen verschenen over cooperaties in o.a. de wijn die aantonen dat cooperaties vaak niet de hoogste kwaliteit in de markt leveren.
Dat komt dan doordat cooperaties het lastig vinden om onderscheid te maken tussen leden of het lastig vinden de leden eisen op te leggen over hoe er geproducteerd moet worden.
In dat licht is het op zijn minst opvallend dat er cooperaties zijn ontstaan juist om onderscheid naar kwaliteit te maken. Zo werd (tijdens WO1) in Noord-Holland een wolcooperatie opgericht omdat de boeren ontevreden waren over het feit dat handelaren weigerden naar kwaliteit uit te betalen. Het argument speelde ook bij de oprichting van cooperatieve exportslachterijen.
De boeren hadden door dat je door het uitbetalen naar kwaliteit een proces in gang zet waarbij ook de gemiddelde kwaliteit omhoog gaat: wie aan de onderkant zit leert, of wordt eruit geconcurreerd. Dat is een inzicht waar huidige exportslachterijen nog wat van kunnen leren.
In de handel is vaak het business model dat men niet alleen kopers en verkopers aan elkaar koppelt maar door menging ook vanuit verschillende aangeleverde kwaliteiten een gewenste kwaliteit maakt. Daarbij wordt lang niet altijd de slechte kwaliteit van een prijskorting voorzien (hoewel de handelaar daar wel belang bij heeft) of de goede kwaliteit beloond. Als je dat te bont maakt, ontstaat er blijkbaar opstand en is de cooperatie een alternatief.

vrijdag 23 januari 2015

Cooperaties of wat daar op lijkt

Wat ook hielp (zie de blogs van voorgaande dagen) aan de cooperaties was WO-I. Want toen ging de overheid reguleren, en daarvoor moest ze aangrijpingspunten hebben in lokale organisaties. En dus kwam er bv. een veilplicht waardoor ook grotere tuinders lid werden.
Verder zijn er aan de geschiedenis interessante inzichten te ontlenen aan de samenhang tussen boerenbonden en landbouwmaatschappijen (waarin ook notabelen die de landbouw wilden ontwikkelen) enerzijds en cooperaties. Dat onderscheid was niet altijd even scherp. Soms konden cooperaties naast dorpsafdelingen ook lid worden van een boerenbond, soms functioneerde de (afdeling van de) boerenbond of landbouwmaatschappij als bestelvereniging of cooperatie. Er waren ook situaties waar je lid van de boerenbond moest zijn om lid van de cooperatie te kunnen worden, zo begrijp ik.
En het waren vooral grotere boeren die lid werden. Sommige kleine boeren waren zo krap bij kas dat ze oogstkredieten van winkeliers nodig hadden (of cooperaties die over magazijnen beschikten waar ze per kunstmestgift konden kopen) en problemen hadden om contant af te rekenen bij het arriveren van het bestelde veevoer of kunstmest.

donderdag 22 januari 2015

cooperaties door intensivering?

Nog even doorgaand op het ontstaan van de cooperaties (zie de vorige twee blogs): waarom kwamen ze nu juist na 1880 op? Veel genoemd wordt dan de landbouwcrisis. Maar ook voor die tijd was er veel armoede op het platteland. En natuurlijk er waren de Duitse inspiratoren Raifeissen en Schultze - Deltizch.
De analyse van Rommes in Voor en Door Boeren (het was overigens vooral Door boeren, zo toont hij aan) suggereert dat vooral de intensivering een rol speelde. Het startte veelal met bestelverenigingen die kunstmest en daarna ook veevoer aankochten. Kunstmest kwam op na 1880, deels omdat het chemisch mogelijk was (Justus von Liebig etc., Thomasslakken uit de staalindustrie) maar dat begon ook al met compost en guano. En in de crisis bleek de graanteelt het af te leggen tegen concurrentie uit de VS en Rusland, en kwam de omschakeling naar veehouderij.  Gebruik van veevoer (en kunstmest) kwam vooral omdat de intensivering loonde. Door de vraag uit de groeiende steden zo meldt Rommes. En de vraag uit Engeland zo leerde ik eerder uit de geschiedenis van de melk.
En een mooi bewijs is Friesland. Daar kwamen de cooperaties vaak pas wat later, na 1900, snel uitmondend in de CAF. Want eerst moest de terpaarde op, zolang die goedkoop was, was er geen reden om kunstmest te gaan bestellen.

dinsdag 20 januari 2015

investeren in cooperaties

Interessant in Rommes' boek over cooperaties (zie de blog van gisteren) zijn ook de regionale verschillen. Ik wist dat cooperaties in West Nederland minder populair waren en schreef dat toe aan het feit dat er goed werkende markten in de steden dichtbij waren. Rommes noemt die verklaring ook maar komt nog met een paar andere die interessant zijn. De eerste is dat er minder aan collectieve veeverzekeringen werd gedaan. Dat was typisch iets voor kleinere boeren c.q. landarbeiders die er belang bij hadden om de schade van de dood van dieren te delen (als 1 van je twee koeien dood gaat is de schade relatief groot). De grotere veehouders, zoals je die op de veen- en kleigronden vond, vonden dat niet nodig. Ze poolden een deel van de risico's intern.
Daarmee samenhangend: het westen had veel consumptiemelkers die hun melk in de steden afzetten. Die ruimden minder productieve dieren (en dus ziekelijke beestjes) sneller op dan de boeren op zandgronden die voor de fabriek of de eigen boter- en kaasproductie gingen en ook meer aan dubbeldoelkoeien (met een vleesdoel) hingen.
En tot slot: er waren veel zelfkazers die een hoge kwaliteit kaas of hoeveboter (om eens een Vlaams woord te gbruiken) maakten. Die leverden dat zelf aan handelaren of markten en hadden minder behoefte om melk te leveren aan gezamenlijke kaas- of boterfabrieken die een minder goede kwaliteit product afleverden.

Dat brengt ons ook bij het investeren in cooperatieve fabrieken. Dat ging om grote bedragen, zoals in de strokarton en suikerbieten. Rommes laat zien hoe belangrijk het cooperatief denken in de Veenkolnien was, waar watertransport hielp bij het efficient aanleveren van kunstmest.  De in vergelijking met de zandgronden vrij grote oppervlaktes van akkerbouwbedrijven aldaar (en ook in het Zuidwesten) die bovendien veelal in eigendom waren (in tegenstelling tot bv. grond in Friesland) diende als onderpand.
De winstgevendheid van de productie, zo rond de eeuwwisseling, in strokarton, aardappelmeel en suiker hielp enorm om de grote investeringen op te brengen c.q. leningen te verkrijgen. Op zich zou je denken dat dan ook kapitalisten wel fabrieken neer zouden zetten. Dat deden ze ook, en ook als eerste. Maar ze overspeelden vaak hun hand en zetten kwaad bloed door kartelvorming. Of door contracten die als unfair werden gevoeld zoals het verstrekken van zaaizaad voor bieten op basis van suikergehalte en uitbetalen op basis van kilo's. Dat riep een tegenactie op.

maandag 19 januari 2015

Cooperaties in den beginne

Voor en door boeren?  heet het boek dat vorig jaar verscheen van de hand van Ronald Rommes. De ondertitel is duidelijker: De opkomst van het cooperatiewezen in de Nederlandse landbouw voor de Tweede Wereldoorlog. Het boek is gebaseerd op Wagenings onderzoek tussen 2006 en 2009 in een NWO project. Uiteindelijk is het dus tot een handelseditie gekomen, zo begrijp ik. Gelukkig, want het is een informatief werk.
De titel slaat vermoedelijk op de vraag of het vooral de intelligentsia en de hoge heren van het dorp waren die de cooperaties oprichten of toch ook de gewone boer. Welnu ook het laatste, zo maakt het onderzoek duidelijk.
De cooperatie-beweging pastte in de 19e eeuw in een veel bredere sociaal-liberale ontwikkeling van zelforganisatie. Er waren al tal van landbouwverenigingen en dorpsverenigingen opgericht. Veeziektefondsen (verzekeringen) bestonden al veel en veel langer. Spaarbanken van 't Nut waren er ook al.
Een mooi verschijnsel dat bijdroeg aan het opstarten van cooperaties was de wandelleraar. In een tijd waarin communicatie tussen dorpen en regio's beperkt was, stelden landbouworganisaties als de ZLM naar Duitsvoorbeeld Wandelleraren aan die van dorp naar dorp trokken en voorlichting bedreven.
Een van hen, G.A. Vosterman van Oyen, had in de winter van 1877/1878 drie bijeenkomsten in het Zeeuwse Aardenburg nodig om de boeren Welbegrepen Eigenbelang te laten oprichten. Dit wordt veelal gezien als de eerste landbouwcooperatie. In ons Europese cooperatieonderzoek van een paar jaar geleden schreven we het ook weer maar op.
Rommes besteedt er niet eens woorden aan dat het niet de eerste cooperatie was. Het was een aankoopvereniging die geen gebruik maatke van de nieuwe cooperatiewet die op 15 november 1876 door de Eerste Kamer werd goed gekeurd. Mogelijk omdat die wet de nodige eisen stelde en kosten met zich meebracht. En aankoopverenigingen waren er al langer, en Limburg had zijn casino's. Welbegrepen Eigenbelang zou pas 38 jaar later, in 1916, een wettelijke cooperatie worden.
Cooperatie nummer 1 volgens de Staatscourant onder die wet was een ander Zeeuws initiatief: de Cooperatieve Voorschotvereniging met Spaarbank te Middelburg. Goedgekeurd op 22 december 1876.  Maar dat was dus geen landbouwcooperatie.
Rommes deelt de eer van de eerste wettelijke cooperatie in de land- en tuinbouw uit aan de in 1878 opgerichte "Cooperatieve Vereeniging tot In- en Verkoop van in de Beemster geteelde Augurken". Klinkt niet zo mooi als Welbegrepen Eigenbelang, maar ere wie ere toekomt. Waarvan akte.
Overigens leerde ik ook dat het feit dat veel aankoopverenigingen geen rechtspersoonlijkheid hadden als problematisch werd gezien voor het vormen van landelijke federale cooperaties (later topcooperaties genoemd). Dat zou een rol gespeeld kunnen hebben bij de bijzondere constructie rond het Centraal Bureau van het NLC (later Cebeco), zo suggereert een voetnoot. Een voetnoot waard in ons rapport over de case Cebeco in datzelfde Europese project.

zondag 18 januari 2015

Milieuregelgeving valt wel mee.

Milieuwetgeving kost helemaal niet zoveel als de overheid en bedrijven wel denken. Zo concludeert -als ik the Economist mag geloven- de OECD in een studie.
De Parijse denktank zag kans de stringentheid van milieuregelgeving (strictness) te meten voor de periode 1990-1995 en  2012.  Dan blijkt dat de scandinavische landen en Nederland de striktste wetgeving hebben, En dat overal de regels zijn aangescherpt.
Maar het lijkt niet tot een geringere productivititeitsgroei geleid te hebben. Dat kan zijn omdat het effect gering is t.o.v. een stijging of daling van de olieprijs. Of omdat de regelgeving allerlei efficiencyslagen en innovaties heeft uitgelokt. Daarbij lijkt het niveau van de productiviteit een rol te spelen. In bedrijven waar die al niet best is, wordt het door de maatregelen niet beter. Dat betekent dat die het afleggen tegen de betere die minder moeite hebben met de nieuwe wetten. Of wel zo leidt ik er uit af: bad inputs worden vervangen door goed management.
Verder concludeert de studie dat het vooral goed gaat als de maatregelen zoveel mogelijk marktgebaseerd zijn en concurrentie aanmoedigen. Zoals in Nederland. In landen als Duitsland die minder concurrentie-vriendelijk zijn, is het lastiger het effect van de regelgeving door dynamiek in opkomende en vertrekkende bedrijven op te vangen.

Economst 3.1.2015 Green Tape
Silvio Albrizio et al: Do environmental policies matter for productivity growth? OECD 2014

zaterdag 17 januari 2015

Van katoen en grondprijzen

Nog een paar aantekening uit de eerste Economist uitgave van dit jaar:
Er is nu ook een boekje met de geschiedenis van katoen, inclusief de industriele revolutie, de Amerikaanse burgeroorlog en veel meer.
Voor de boekenlijst: Sven Beckert: Empire of Cotton: a global history. Wel 615 pagina's, want much depends on cotton.

Verder bevatte het nummer een grafiek die al veel in agrokringen is rondgetwittert: over de 1994-2013 outperformed grond in de VS resp. Britain op rendements/risico-verhouding alle andere beleggingscategorieen. En correleert zwak dus is ideaal in een portefeuille.
Zou volgens veel Twitteraars een signaal zijn dat we het toch weer maar goed doen in agro, Daar vallen m.i. wel wat kanttekeningen bij te zetten: niet alleen komt een deel vanwege de lage rente en een vlucht uit aandelen en staatsobligaties (zoals Mark Twain al zei: ga in grond, daar wordt niet meer van bijgemaakt - wat trouwens een te simpele redenering is) maar een ander deel komt uit het koppelen (en in de VS verhogen?) aan grond van landbouwsubsidies, en biobrandstoffenbeleid. En het is een effect van de hoge prijzen in afgelopen jaren, leuk voor boeren, maar niet voor consumenten in bv. het Midden Oosten.
Het artikel verwacht dat melkproductie door robots een stijging van 10 tot 15% van de melkgift geeft, en big data in de akkerbouw zou ook 5% zijn. "This is an industry where the gap between top and bottom quintile is greater than anywhere else" zo citeert men ene Detlef Schoen van Aquila Capital.  Een fonds dat de kloof van onbekendheid tussen invesment bankers ("hoe worden kippen geplant ?") die landbouw veel te complex vinden en boeren probeert te overbruggen.

Economist: Barbarians at the farm gate. 3.1.2015

vrijdag 16 januari 2015

Heeft Italie gebrek aan een retailer?

Italie is een van de weinige Europese landen waar de grootschalige retail (type AH of Carrefour) nog niet heeft toegeslagen. Institutionele vernieuwing gaat er langzaam en net als bij de banken (ABNAmro kan er rond de Venetobank nog van meepraten) schijnen er tal van instituties te zijn die het bij de huidige structuur houden. Ook rond de food bedrijven is de kleinschaligheid beroemd. In Italiƫ domineert het familiebedrijf.
The Economist constateert nu dat verschillende kleine food processors toch met export naar het buitenland aan de slag gaan. Tenslotte is de Italiaanse keuken tot achterin China populair.
Het valt het blad op dat Italie veel minder exporterende bedrijven (per klasse van werknemers, dus het is geen grootte-effect) heeft dan Duitsland of Spanje.
Als verklaring noemt het blad dat er in dit land geen grote retailers zijn die de kar trekken. Niet alleen in Venetie (foto) maar in heel Italiƫ vindt je geen grote retail concerns met ook een buitenlandse poot. In andere landen heb je die wel, en als je dus als klein Frans voedselbedrijf bij Carrefour in de schappen ligt, dan kun je makkelijk ook naar de schappen van de buitenlandse Carrefour. Dat voordeel hebben de Italianen niet. Nog een reden om die instituties eens minder beklemmend te maken, zo zou ik denken.

The Economist 3.1.2015 Italy's small food-makers: Export or die

donderdag 15 januari 2015

universitair personeelsbeleid

De laatste bijdrage van papers in de bundel van Colombatto waaruit ik afgelopen blogs citeerde, is een van de leukere. Dat krijg je als hooggeleerden de theorie op hun eigen situatie gaan toepassen. Ryan Amacher en Roge Meiners schreven het paper "Property rights in higher education"  Ze analyseren het systeem van tenure op universiteiten. Tenure betekent een aanstelling voor het leven, zolang je geen onethische wangedragingen begaat ben je eigenlijk niet te ontslaan.
De heren schrijven perfect op waarom het me nooit iets geleken heeft om manager van zo'n systeem van arbeiderszelfsbestuur te zijn. Ik citeer:
"administrators who take actions that would be normal in a for-profit organisation, such as dismissing the worst tenured faculty members and abolishing poorly-performing programs, send chills through the ranks of everyone who woriies that they are or might become deadwood. If faculty want assurances that tenure means a life senecure, which is not what tenure grants legally, they have strong incentives, usually under the guise of academic freedom, to protest any move against incompetent facultty. Secure property rights in employment are valued by most faculty, so they have little incentive to support administrators who like to terminate the employment of the least comeptent as it could mean insecure employment rights for all. Unlike in a for-profit organisation, where bad employees can cost everyone money and it is understood that employment rights are insecure, at a college, and unproductive professor is unlikely to lower the income of another faculty."

Nog een keer de referentie: E. Colombatto (ed) The Economics of Property Rights. Elgar Companion; 2004

woensdag 14 januari 2015

Agrodebat

LEI Wageningen UR organiseerde vanmiddag het Groot Agrodebat 2015 en begon daarmee zijn 75e levensjaar. Ik mocht er een inleiding houden en beloofde die online te zetten bij Slideshare. Bij deze meld ik dat dit keer ook hier - de dagvoorzitter prees ook deze wat frivolere  ;-) huisvlijt-blog aan.

eigendomsrechten van een cultureel district

Het een na laatste paper uit het boek van Colombatto waaruit ik de laatste dagen citeer is een analyse van Cuccia en Santagata. Ze kijken hoe het zit met de gemeenschappelijke eigendomsrechten van handwerkdistricten zoals Murano glas of Caltagirone keramiek. Ik vermoed dat je het ook wijder kunt toepassen, maar dat terzijde.

Je mag aannemen dat de handwerkslieden allemaal belang hebben bij het voorkomen van vervalsing, oneerlijke concurrentie uit het buitenland met nagemaakt spul en kwaliteisdegradatie waardoor de consument afhaakt. Kortom een handelsmerk met product-eisen of een soort apelation controlee lijkt aantrekkelijk.
De auteurs laten zien dat het toch kan zijn dat de ondernemers hier tegen stemmen. Ze doen dat aan de hand van een speltheoretische excercitie: stel dat er twee typen handwerkslieden zijn, zij die zich meer op de hoogste kwaliteit en artistiekheid richten (en ook hun werk signeren) en zij die meer voor volume en de marketing gaan (en ook signeren, maar niet de hoogste prijzen halen). In dat geval kon de tweede groep (die mogelijk ook groter is) wel eens tegen stemmen.
Het zou kunnen zijn dat ze bang zijn dat het merk bij de consument het beeld van het kwaliteitsproduct versterkt of dat de gemiddelde kwaliteit nog omhoog gaat door de artistiekelingen. En dat dit souvernirachtige producenten aantrekt die niet onder het merk produceren maar toch meeprofiteren, en dat zij met de midden-kwaliteit daarmee klem komen te zitten tussen de echte artiesten en de souvenirhandel. Vooral als ze die dynamiek vermoeden en via lage rentevoet de toekomstige winsten belangrijk vinden is dit een reden tegen te stemmen.

maandag 12 januari 2015

column met reacties

Een paar dagen geleden meldde ik al dat LEI Wageningen UR een column van mijn hand over geopolitiek en het Nederlandse verdienmodel online had gezet.
Foodlog heeft de column over genomen en daar is er nu een nuttige discussie. En het stuk inspireerde Harm Evert Waalkens tot een antwoord-column die op Boerenbusiness staat.  En ook enige discussie oproept.
Mooi dat het onderwerp leeft. Woensdag doen we het live op een bijeenkomst van het LEI.